Bloedserieus omspringen met bloed geven

Door Orry Van de Wauwer, artikel eerder gepubliceerd op de website van Knack: http://www.knack.be/nieuws/belgie/waarom-homo-s-geen-bloed-moeten-doneren/article-opinion-118802.html

Wel Jong Niet Hetero (WJNH)-woordvoerder Michiel Vanackere getuigde deze week in het Leuvense studentenblad Veto en De Morgen dat hij al drie maal bloed is gaan geven bij het Rode Kruis. Drie maal heeft hij daarvoor moeten liegen over zijn geaardheid. Homo’s mogen immers geen bloed geven. Of liever, dit mag niet “als u sedert 1977 seks heeft gehad met andere mannen”. De homogemeenschap vormt immers een risicogroep wat hiv-besmetting betreft. Volgens WJNH is dit discriminatie op basis van seksuele voorkeur. De homogemeenschap is immers geen homogene gemeenschap en onveilig vrijgedrag is een beter criterium dan het geslacht van een bedpartner.

Er valt wat te zeggen voor de argumenten van WJNH. Het verhaal van Michiel Vanackere komt mij ook bekend voor. Enkele jaren geleden heb ik ook gelogen bij het invullen van de vragenlijst van het Rode Kruis om bloed te mogen geven. Recente SOA-testen waren negatief en ik zat in een monogame relatie. Waarom zou ik dan geen bloed mogen geven, terwijl het Rode Kruis kampt met bloedtekort?

Controleprobleem

Moeten homo’s ook de mogelijkheid krijgen om bloed te geven als zij in een duurzame, monogame relatie zitten waarbij beide partners geen soa’s bezitten? Dit heb ik zelf jaren verdedigd. Het probleem is echter dat dit niet te controleren valt. Om dit na te gaan moet het Rode Kruis uitgaan van de eerlijkheid waarmee de donor de vragenlijst van het Rode Kruis invult. Michiel Vanackere en ikzelf illustreren dat dit systeem allesbehalve waterdicht is. Maar hetero’s kunnen toch ook liegen over hun seksueel gedrag, of over alle andere factoren die een donor (tijdelijk) uitsluiten van bloedgeven?

Overspel

Zelfs als we uitgaan van de eerlijkheid en goede trouw van de monogame donor, kunnen we nog niet zeker zijn van de trouw van de partner. Wanneer de partner overspel pleegt vormt deze een risico voor de donor. Ook hier kan je het argument terecht aanhalen dat dit ook geldt voor heterokoppels. Volgens WJNH moet je immers focussen op onveilig vrijgedrag en niet op het geslacht van de bedpartner.

Het voorstel van het Rode Kruis om homo’s bloed te laten geven mits ze een jaar geen seks gehad hebben kampt met hetzelfde controleprobleem. Daarenboven komt dit voor homo’s over als de reactie op het homohuwelijk van de Franse politica Christine Boutin (UMP): “Homo's kunnen nu al trouwen, zo lang ze maar niet met iemand van hetzelfde geslacht trouwen”.

Eén op twintig

Het antwoord op alle bovengenoemde argumenten blijft: homo’s behoren tot die risicogroep waarbij één op twintig hiv-positief is, terwijl dit voor de algemene bevolking één op duizend is. Als we hier de koppeling maken met overspel van de partner wordt het gevaar nog duidelijker: wanneer een partner uit een homokoppel overspel pleegt heeft hij dus één kans op twintig om besmet te raken en bijgevolg de bloeddonor (die mogelijks van niets weet) te besmetten. Bij heterokoppels bedraagt deze kans maar één op duizend. Overspel vindt plaats in zowel hetero- als holebikoppels, en in alle lagen van de samenleving. Maar wie hier abstractie van wil maken in dit debat over bloeddonaties is niet alleen naïef, maar ook heel gevaarlijk bezig ten opzichte van de bloedontvangers.

Maar al het gedoneerde bloed wordt toch getest vooraleer het als donorbloed wordt toegediend? Ook dat is waar. Maar het probleem ligt bij donoren die bloed doneren in de zogenaamde vensterperiode. Dit is de periode tussen de besmetting met het virus en het moment dat dit opgespoord kan worden in het bloed. Zo kan een test pas na twee weken uitwijzen of je besmet bent met hiv (hiv-positief). Na zes weken kan met een betrouwbaarheid van 95% bevestigd worden dat je hiv-negatief bent. Pas na drie maanden kan een test met 100% zekerheid hiv-besmetting uitsluiten. Als een donor die net besmet is bloed doneert, zullen de laboratoriumtesten van het Rode Kruis dit dus niet kunnen detecteren en zal zij dit besmette bloed toedienen.

Liever één donor te veel uitsluiten dan één te weinig

Als Laurette Onkelinx zegt dat uitsluiting van een bloedgift moet gebaseerd zijn op risicogedrag en niet op seksuele geaardheid geef ik haar gelijk. Maar als die geaardheid net een cruciale factor blijkt voor het risico op besmetting, primeert het gezondheidsargument. Bloed geven moet de hulpbehoevende dienen en dient niet om het ego van de bloedgever op te smukken. Zoals de actie van het Rode Kruis aangeeft, moet er bloedserieus omgesprongen worden met het bloedgeven. Ik volg dan ook de stelregel die het Rode Kruis hanteert: “liever één donor te veel uitsluiten dan één te weinig”. Ook al kan ik daardoor zelf geen bloed meer geven, wat ik ontzettend jammer vind.