Wir schaffen das? Yes we can!

De week na de partijconventies van de Amerikaanse Republikeinse en Democratische partij, kreeg Angela Merkel van enkele politici uit ons land het verwijt dat haar 'wir schaffen das'-uitspraken de oorzaak waren voor de vluchtelingenstroom richting Europa en Duitsland. De tweedeling in de Amerikaanse verkiezingsrace vind je ook bij ons terug. Dit denk ik er van. Deze opinie is ook verschenen op de website van Knack: http://www.knack.be/nieuws/belgie/wir-schaffen-das-yes-we-can/article-normal-734587.html

Het voorbije jaar heb ik met vele oorlogsvluchtelingen gesproken. Ondanks de schrijnende situaties waarin deze gesprekken plaatsvonden, waren dit telkens hartelijke ontmoetingen. Er werd over veel gesproken: over het achterlaten van familie, over de hoop op een betere toekomst, het zoeken naar werk. Over de helse tocht die ze de afgelopen maanden hadden ondernomen wilden zij niet praten. Wel over de situatie waaruit ze vluchtten, maar pas nadat we een vertrouwensband hadden opgebouwd. De redenen om te vluchten waren telkens dezelfde: (burger)oorlogen en terreur in het thuisland. Geen enkele keer was het Wir schaffen das-onthaal van Angela Merkel de motivatie. En toch zijn er stemmen die het beleid van Angela Merkel verantwoordelijk achten voor de stroom van deze mensen die vluchten voor terreur.

Ik vraag me af met welke vluchtelingen deze stemmen gesproken hebben om dit te concluderen. Op basis van cijfers kan je dit ook moeilijk hard maken: het klopt dat het aantal asielaanvragen in Duitsland is gestegen na de eerste Wir schaffen das van Merkel, maar deze stijging is louter een verderzetting van de trend die reeds maanden aan de gang was.

De drijfveer voor deze uitspraken moet dus elders liggen. Vanuit ideologische overwegingen het draagvlak voor solidariteit met oorlogsvluchtelingen onderuit halen, bijvoorbeeld. Wir schaffen das heeft niet enkel betrekking op Duitsland. Het is een oproep om samen, de Europese Unie als geheel, de vluchtelingencrisis het hoofd te bieden. Het verwijt aan Merkel voor de overspoeling van Duitsland of Zweden is dan ook verkeerd en komt als een boomerang terug. Het zijn niet zij maar de andere Europese landen die met hun weerstand tegen opvang van oorlogsvluchtelingen Wir schaffen das onderuit halen.

Goedkope trucjes

Angela Merkel wordt ook verweten "goedkope trucjes" toe te passen. Vandaag zegt Merkel hetzelfde als een jaar geleden: samen kunnen wij deze vluchtelingencrisis aan. Maar dit is niet enkel een kwestie van wat we aankunnen en wat niet. Dit is een kwestie van morele principes. En morele principes pas je niet aan aan een bepaalde situatie. Aan morele principes hou je vast. Dat is wat Merkel doet en wat van haar een sterke leider maakt. Zo verwijst Merkel naar de eerste zin uit de Duitse grondwet: "De menselijke waardigheid is onschendbaar. Te respecteren en door alle middelen te beschermen." Als je beroepen op het eerste artikel van de grondwet een goedkoop trucje is, wat valt er dan te zeggen van het toevoegen van preambules, grondwetswijzigingen, inperken van fundamentele vrijheden?

De tweedeling van de politieke klasse en maatschappij zie je vandaag overal terugkomen, de voorbije week nog heel zichtbaar op de Amerikaanse partijconventies. Langs de ene kant de verspreiders van een boodschap van angst, verdeeldheid en terugplooien op zichzelf. Langs de andere kant de verspreiders van hoop en inclusie. De boodschap van Merkel is er een van geloof in het kunnen van de samenleving. Wir schaffen das is eigenlijk de Duitse vertaling van Barack Obama's Yes, we can, of vandaag de Stronger Togehther van Hillary Clinton. En - in alle bescheidenheid - ook de #ikbenwij van Wouter Beke, die met vuur het standpunt van Merkel verdedigde.

Diezelfde boodschap van hoop ervaar ik in mijn gesprekken met mensen die vluchten voor terreur, en is nog dagelijks de drijfveer van de jonge Syriër die ik thuis opvang en help te integreren in onze samenleving. Misschien moeten de critici van Merkel ook eens met deze mensen praten.

2015: het jaar van de verdeeldheid, 2016: het jaar van de empathie?

2016 is gestart. Iedereen maakt zijn of haar terugblik op van 2015, of deelt de voornemens voor het nieuwe jaar.

De trend die mij het hardste opvalt, is dat vele mensen - politici en burgers - die zich nooit over de zwakkeren in onze samenleving bekommerd hebben, plotseling de nood aan hulp voor deze zwakkeren inroepen als argument tegen de opvang en bescherming van de vluchtelingen. Het is schrijnend om vast te stellen hoe invloedrijke toppolitici zodoende verschillende zwakke groepen tegen elkaar uitspelen. Dit is een vals dilemma. 

De grote verdeler

Even schrijnend is de houding van de machtigste politicus van ons land. De man geniet groot moreel gezag en heeft veel invloed. In het verleden ben ik het vaak met hem oneens geweest. Vandaag gaat dit verder dan een botsende mening. Vandaag wijs ik op de verantwoordelijkheid die hij draagt, op de gevolgen van zijn meningen. Als De Wever, met zijn moreel gezag, humane oplossingen had voorgesteld voor de aankomst in ons land van vluchtelingen, zou ik hem daarvoor gerespecteerd hebben. Hij heeft echter gekozen voor een andere weg. Hij koos ervoor verdeeldheid en angst te zaaien. Dat leidt niét  tot een oplossing voor het leed van oorlogsvluchtelingen. Het versterkt wél zijn electorale positie. En dit maakt mij kwaad. Hij had  een grote leider kunnen zijn, maar koos - opnieuw - voor de rol van de grote verdeler.

Genuanceerd verhaal

Is een boodschap van solidariteit realistisch? Natuurlijk is ze dat. Maar ze vereist een genuanceerd verhaal, en dat is moeilijker. Een genuanceerd verhaal zou het volgende kunnen zijn. Het merendeel van de mensen die op de vlucht zijn, zijn oorlogsvluchtelingen. Je zou - zoals de grote verdeler doet - kunnen stellen dat mensen maar zolang oorlogsvluchteling zijn tot ze in een veilig land zijn toekomen. In een genuanceerd verhaal zou je vervolgens de cijfers op tafel moeten leggen en het verhaal afmaken. Turijke, Libanon en Jordanië vangen samen meer Syrische vluchtelingen op dan alle lidstaten van de EU samen. Libanon vangt momenteel meer dan een miljoen vluchtelingen op, op een populatie van vier miljoen inwoners. De vluchtelingen zitten er in grote kampen en hebben geen perspectief. Ze hebben geen werk, er is geen onderwijs, integratie blijft uit. Als we hen daar jaren laten zitten, krijgen we een  verloren generatie. Er is een spreiding van de vluchtelingen over heel Europa en ruimer nodig. Anders krijg je concentraties zoals in Libanon, met één vluchteling per vier inwoners. Dat is niet houdbaar en niet wenselijk. Sommige politici zeggen dat wij in België, met één vluchteling per 350 inwoners, de toestroom niet meer aankunnen? Dit is geen kwestie van niet kunnen, maar van niet willen. Dit is een keuze.

Academici, vrijwilligers en NGO's, tot zelfs de ondernemersorganisaties mengen zich in het debat en pleiten voor de opvang en integratie van vluchtelingen. Allen proberen zij nuance te brengen. Vluchtelingen verrijken onze samenleving met hun talenten. Opnieuw evenwel neemt N-VA haar gekende houding aan, die haar opstelling tegen tegenstanders ondertussen typeert: 'Jouw statistiek is ideologie, mijn ideologie is statistiek'. De grootste partij van het land heeft de waarheid in pacht. En zo blijft ze het debat domineren, en blijft het draagvlak voor solidariteit met vluchtelingen voort  afnemen.

Het jaar van de empathie

Zou het niet mooi zijn, mocht 2016 het jaar van de empathie worden? Laat dat mijn voornemen zijn voor het nieuwe jaar: dat er terug meer plaats is voor (mede)menselijkheid, deemoed en meededogen, . En dat deze menselijkheid de drijfveer mag zijn van de politieke discours. Laten we kijken naar wat wij gemeen hebben met elkaar in plaats van te focussen op  wat ons van elkaar onderscheidt. Als we dit doen, zullen we plots merken dat de verschillen die er wel degelijk zijn, een verrijking kunnen betekenen.

 Net als elk ander jaar, bekijk ik de jaaroverzichten die in verschillende media verschijnen. En ook dit jaar, zoals elk ander jaar, kom ik tot de conclusie dat wij nog altijd op één van de beste plekken ter wereld wonen. Wij hebben bij toeval dit geluk gehad, laten we dit geluk dan ook delen met zij die dit niet hebben. Laten we samen solidair zijn. Dat is voor iederéén een verrijking.

Waarom wachten op burgemeesters om belachelijke GAS-boetes af te schaffen?

Door Orry Van de Wauwer, artikel eerder gepubliceerd bij KNACK: http://www.knack.be/nieuws/belgie/waarom-wachten-op-burgemeesters-om-belachelijke-gas-boetes-af-te-schaffen/article-opinion-131457.html

Een aantal steden en gemeenten erkent dat er een probleem is met de GAS-reglementen. Kijk maar naar Sint Truiden en Hasselt. Of Mechelen, dat radicaal in haar GAS-overtredingen snoeit. Maar waarom moeten we wachten tot burgemeesters als Bart Somers (Open VLD) zelf inzien dat de lokale GAS-reglementen ridicule overtredingen bevatten? Misschien ligt het aan verkiezingskoorts bij de burgemeesters, opgejaagd door partijen als Groen en PvdA die van GAS een van hun speerpunten maken, maar het is alleszins een erkenning dat de huidige regelgeving op vele plaatsen onhoudbaar is geworden.

Of kunnen we toch uitgaan van het gezond verstand van lokale bestuurders? Dit argument roepen politici immers in wanneer ik hen vraag om een limitatieve lijst op te stellen voor het gebruik van GAS. Mijn repliek is eenvoudig. Een opsomming van de ridicule voorbeelden van 'overlast' die met GAS bestraft werden, spreekt voor zich.

Somers heeft ingezien dat bepaalde GAS-overtredingen niet onder het mom van 'gemeentespecifieke overlast' gecategoriseerd kunnen worden. Belletje trek en in bomen klimmen, overlast? Normaal jongerengedrag, lijkt mij. In welke gemeente je ook aan de deur belt.

Mechelen schrapt nu als eerste zoveel GAS-overtredingen, maar is jammer genoeg niet het enige gemeentebestuur met absurde overtredingen in haar GAS-reglement. Of die andere gemeenten gaan volgen met het limiteren van de GAS-overtredingen is nog af te wachten. En als ze al volgen, gebeurt dit opnieuw zonder enige coördinatie en is willekeur wederom de norm.

Maar waarom zouden we wachten? Waarom voorziet het federale, wettelijke GAS-kader geen limitatieve lijst waarvoor GAS mag gebruikt worden? Via de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten kunnen lokale besturen perfect betrokken worden bij de opmaak van dit reglement. Eventueel kan de mogelijkheid bestaan om regionale accenten te leggen, denk maar aan de kustgemeenten.

Door deze limitatieve lijst kan GAS gebruikt worden om, naar de geest van de GAS-wet, effectieve overlast zoals wildplassen en zwerfvuil aan te pakken. Tegelijkertijd worden onzorgvuldig gebruik en rechtsonzekerheid voor de burgers en ambtenraren vermeden, wat verzuring tegengaat. Daarnaast wordt de lokale willekeur een halt toegeroepen. Door het opstellen van een limitatieve lijst vermijd je immers dat een vaag begrip als 'overlast' een subjectieve en willekeurige invulling krijgt.

Ik zie enkel voordelen in een limitatieve lijst, zowel voor de bestuurders, GAS-ambtenaren als voor de burgers. Bart Somers heeft de voordelen van een beperkte lijst ingezien. Laat ons niet wachten op alle andere burgemeesters, maar van de komende verkiezingscampagne gebruik maken om onze federale (kandidaat-)parlementsleden op te roepen om een limitatieve lijst op te stellen. Velen zullen hen dankbaar zijn.Orry DIW GAS

Sterker Vlaanderen, sterker land

Met deze slogan trekt CD&V naar de verkiezingen. “CD&V gelooft in de kracht van samenwerken, wat harmonie tussen de verschillende beleidsniveaus impliceert. Met de uitrol van de 6de staatshervorming komt het zwaartepunt definitief bij de deelstaten te liggen. Vlaanderen beschikt daarmee over de nodige hefbomen om de eigen positie en die van haar burgers te versterken en tegelijkertijd ook werk te maken van een sterk land. Dat bedoelt CD&V met confederalisme.”

Op het STARTcongres dat JONGCD&V in het weekend van 22-23 februari organiseerde in Antwerpen, hebben we enkele duidelijke standpunten ingenomen binnen de thema’s leren, werken & ondernemen, wonen en gezin & leven. Naast deze thema’s hebben alle JONGCD&V’ers zich via een actualiteitsmotie, die ik namens de regio Voor- en Noorderkempen heb ingediend, uitgesproken over hoe zij confederalisme zien.

De motie luidde als volgt:

Wanneer JONGCD&V over confederalisme spreekt, bedoelt zij een België naar confederaal model. Dit is een België waarbij de nadruk bij de deelstaten ligt, zonder dat het federale niveau volledig wordt ontmanteld.

Ik heb volgende toelichting gegeven ter verdediging van deze actualiteitsmotie:

Met deze motie verduidelijkt JONGCD&V hoe zij het partijstandpunt rond confederalisme zien, zonder eerdere standpunten tegen te spreken. CD&V staat nog steeds voor confederalisme. Met confederalisme bedoelt JONGCD&V een België naar confederaal model. Dit houdt voor ons een staatsvorm in waarbij het zwaartepunt bij de deelstaten ligt, zonder dat het federale niveau volledig wordt ontmanteld.

Om tot deze visie te komen, past JONGCD&V het subsidiariteitsbeginsel toe. Bevoegdheden horen toe tot dat niveau, het dichts bij de burger waar zij op de meest efficiënte manier uitgevoerd kunnen worden. De voorbije staatshervormingen, met meest recent de zesde staatshervorming, hebben hiertoe bijgedragen.

Door de motie met deze omschrijving aan te nemen, kan JONGCD&V duidelijk verklaren waar wij de voorbije jaren voor stonden en waar wij in de toekomst nog steeds voor staan. Door deze motie aan te nemen, geeft JONGCD&V duidelijk antwoord aan alle andere partijen. Het “positief confederalisme” krijgt zo een duidelijkere invulling, in lijn met wat CD&V in het verleden verkondigde en in lijn met waarmee we met de zesde staatshervorming en in de toekomst naartoe willen: een België naar confederaal model, met sterke deelstaten zónder een uitgehold federaal bestuursniveau.

JONGCD&V erkent dat deze omschrijving niet overeen komt met de strikt juridische betekenis van confederalisme. Hetzelfde geldt voor de invulling die elke andere partij hier tot nu toe aan gegeven heeft. In de praktijk blijkt echter dat er overal lokale interpretaties gegeven worden aan de invulling van confederalisme. Met deze motie zegt JONGCD&V klaar en duidelijk wat confederalisme voor haar inhoudt net zoals ze dat rond andere thema’s doet op het STARTcongres en we dat ook deden op het innestocongres.


Hiermee stelt JONGCD&V dus duidelijk wat wij bedoelen wanneer wij over confederalisme spreken. Als wij een confederaal België willen, willen wij een België naar confederaal model, een België waarbij de zwaartepunten bij de regio’s liggen. Maar zonder het federale niveau volledig uit te hollen en België te ontmantelen. Niet onder het motto “wat we in Vlaanderen zelf doen, doen we altijd beter” , maar onder het motto “wat we zelf doen, doen we anders. Omdat we andere behoeften hebben. En dáárom doen we het beter.” Net zoals Wallonië een eigen beleid kan voeren op basis van de eigen behoeften, en het op haar manier ook beter doet. Geen conseperatisme, wel een positief uitgangspunt. Een sterker Vlaanderen in een sterker land.

Bloedserieus omspringen met bloed geven

Door Orry Van de Wauwer, artikel eerder gepubliceerd op de website van Knack: http://www.knack.be/nieuws/belgie/waarom-homo-s-geen-bloed-moeten-doneren/article-opinion-118802.html

Wel Jong Niet Hetero (WJNH)-woordvoerder Michiel Vanackere getuigde deze week in het Leuvense studentenblad Veto en De Morgen dat hij al drie maal bloed is gaan geven bij het Rode Kruis. Drie maal heeft hij daarvoor moeten liegen over zijn geaardheid. Homo’s mogen immers geen bloed geven. Of liever, dit mag niet “als u sedert 1977 seks heeft gehad met andere mannen”. De homogemeenschap vormt immers een risicogroep wat hiv-besmetting betreft. Volgens WJNH is dit discriminatie op basis van seksuele voorkeur. De homogemeenschap is immers geen homogene gemeenschap en onveilig vrijgedrag is een beter criterium dan het geslacht van een bedpartner.

Er valt wat te zeggen voor de argumenten van WJNH. Het verhaal van Michiel Vanackere komt mij ook bekend voor. Enkele jaren geleden heb ik ook gelogen bij het invullen van de vragenlijst van het Rode Kruis om bloed te mogen geven. Recente SOA-testen waren negatief en ik zat in een monogame relatie. Waarom zou ik dan geen bloed mogen geven, terwijl het Rode Kruis kampt met bloedtekort?

Controleprobleem

Moeten homo’s ook de mogelijkheid krijgen om bloed te geven als zij in een duurzame, monogame relatie zitten waarbij beide partners geen soa’s bezitten? Dit heb ik zelf jaren verdedigd. Het probleem is echter dat dit niet te controleren valt. Om dit na te gaan moet het Rode Kruis uitgaan van de eerlijkheid waarmee de donor de vragenlijst van het Rode Kruis invult. Michiel Vanackere en ikzelf illustreren dat dit systeem allesbehalve waterdicht is. Maar hetero’s kunnen toch ook liegen over hun seksueel gedrag, of over alle andere factoren die een donor (tijdelijk) uitsluiten van bloedgeven?

Overspel

Zelfs als we uitgaan van de eerlijkheid en goede trouw van de monogame donor, kunnen we nog niet zeker zijn van de trouw van de partner. Wanneer de partner overspel pleegt vormt deze een risico voor de donor. Ook hier kan je het argument terecht aanhalen dat dit ook geldt voor heterokoppels. Volgens WJNH moet je immers focussen op onveilig vrijgedrag en niet op het geslacht van de bedpartner.

Het voorstel van het Rode Kruis om homo’s bloed te laten geven mits ze een jaar geen seks gehad hebben kampt met hetzelfde controleprobleem. Daarenboven komt dit voor homo’s over als de reactie op het homohuwelijk van de Franse politica Christine Boutin (UMP): “Homo's kunnen nu al trouwen, zo lang ze maar niet met iemand van hetzelfde geslacht trouwen”.

Eén op twintig

Het antwoord op alle bovengenoemde argumenten blijft: homo’s behoren tot die risicogroep waarbij één op twintig hiv-positief is, terwijl dit voor de algemene bevolking één op duizend is. Als we hier de koppeling maken met overspel van de partner wordt het gevaar nog duidelijker: wanneer een partner uit een homokoppel overspel pleegt heeft hij dus één kans op twintig om besmet te raken en bijgevolg de bloeddonor (die mogelijks van niets weet) te besmetten. Bij heterokoppels bedraagt deze kans maar één op duizend. Overspel vindt plaats in zowel hetero- als holebikoppels, en in alle lagen van de samenleving. Maar wie hier abstractie van wil maken in dit debat over bloeddonaties is niet alleen naïef, maar ook heel gevaarlijk bezig ten opzichte van de bloedontvangers.

Maar al het gedoneerde bloed wordt toch getest vooraleer het als donorbloed wordt toegediend? Ook dat is waar. Maar het probleem ligt bij donoren die bloed doneren in de zogenaamde vensterperiode. Dit is de periode tussen de besmetting met het virus en het moment dat dit opgespoord kan worden in het bloed. Zo kan een test pas na twee weken uitwijzen of je besmet bent met hiv (hiv-positief). Na zes weken kan met een betrouwbaarheid van 95% bevestigd worden dat je hiv-negatief bent. Pas na drie maanden kan een test met 100% zekerheid hiv-besmetting uitsluiten. Als een donor die net besmet is bloed doneert, zullen de laboratoriumtesten van het Rode Kruis dit dus niet kunnen detecteren en zal zij dit besmette bloed toedienen.

Liever één donor te veel uitsluiten dan één te weinig

Als Laurette Onkelinx zegt dat uitsluiting van een bloedgift moet gebaseerd zijn op risicogedrag en niet op seksuele geaardheid geef ik haar gelijk. Maar als die geaardheid net een cruciale factor blijkt voor het risico op besmetting, primeert het gezondheidsargument. Bloed geven moet de hulpbehoevende dienen en dient niet om het ego van de bloedgever op te smukken. Zoals de actie van het Rode Kruis aangeeft, moet er bloedserieus omgesprongen worden met het bloedgeven. Ik volg dan ook de stelregel die het Rode Kruis hanteert: “liever één donor te veel uitsluiten dan één te weinig”. Ook al kan ik daardoor zelf geen bloed meer geven, wat ik ontzettend jammer vind.